Wie in België vandaag nog een dieselwagen koopt, behoort stilaan tot een uitstervend ras. Waar dieselmotoren jarenlang de norm waren zakte hun marktaandeel de voorbije jaren zienderogen naar een verwaarloosbare positie.
Ik moet iets bekennen: telkens ik een diesel hoor opstarten, voel ik een lichte nostalgie. Vroeger was dat de motor die de Belgische markt vooruit duwde en zelfs ooit door de overheid gesubsidieerd werd omwille van de gunstige CO2-uitstoot. Dat was uiteraard in het pré PHEV en EV tijdperk. Vandaag lijkt de diesel bijna een rariteit, een laatste echo van een tijdperk dat de overheid liefst zo snel mogelijk achter zich laat.

Er was natuurlijk dieselgate en het streven naar de 0-uitstoot; in een paar jaar tijd ging diesel van koning naar zondebok. Op de parking van een doorsnee bedrijf vind je tegenwoordig meer laadkabels dan dieselauto’s. En eerlijk: dat is geen toeval. De fiscaliteit is een hefboom die stevig wordt gehanteerd. Waar diesel vroeger een cadeau kreeg, wordt hij nu afgestraft. Elektrische wagens zijn fiscaal het paradijs: maximale aftrekbaarheid, lage VAA, steun voor laadpalen. Voor een dieselrijder daarentegen is er vooral de rekening. Het beleid is duidelijk: de toekomst rijdt elektrisch, punt.
En toch knaagt er iets. Cijfers, tabellen en beleidsnota’s kunnen niet vatten wat je voelt als je bijvoorbeeld in een BMW X5 3.0d onderweg bent, die ik uit pure nostalgie ter test nam. Zijn zescilinder gromt niet luid, hij fluistert kracht. 286 pk, maar vooral 650 Newtonmeters koppel die je al van in de laagste toerentalregionen in je rug voelt duwen. Niet nerveus, niet brutaal, maar met een vanzelfsprekend gemak dat je geruststelt.

Ik verbruikte tijdens de test zo’n 7,5 liter per 100 kilometer. Voor zo’n mastodont is dat redelijk en het had nog minder gekund als ik me niet zo vaak liet verleiden tot van die heerlijke koppelspurtjes. 1.038 km autonomie afficheerde de boordcomputer met een volle tank. Met deze statige X5 rij je dus in één ruk naar Zuid-Frankrijk zonder een seconde te piekeren waar je moet bijladen. Het is dat soort rijervaring die ik vrees te verliezen in de stormloop naar elektrisch: het gevoel van moeiteloze kracht, zonder range anxiety en zonder het gedoe van apps, laadpassen en kabels.

Begrijp me niet verkeerd: elektrisch rijden is de toekomst, en wellicht terecht. Stil, emissievrij op de weg, en steeds efficiënter. Maar de overheid lijkt vergeten dat de transitie tijd kost en dat niet iedereen z’n rijgedrag of woonsituatie in aanmerking komt voor een EV. Wie dagelijks honderden kilometers aflegt, kan zich niet altijd permitteren om de stand van de batterij als dagplanning te laten dicteren.
De moderne Euro 6-diesels zijn veel schoner dan hun voorgangers. Maar daar houdt het beleid weinig rekening mee. In plaats van een genuanceerde aanpak krijgen dieselrijders vandaag vooral de boodschap: “afschaffen en overstappen”. Dat voelt te zwart-wit in een wereld die vooral grijs is.

Daarom een suggestie, beste beleidsmakers: hou de fiscale stok stevig gericht op de EV-stimulans, maar geef diesel (en waarom niet, ook benzine) een tikje meer ademruimte. Niet terug naar de gouden jaren, wel een klein duwtje zodat hij nog een realistische keuze blijft voor wie veel kilometers vreet. Zo houden we de overstap naar elektrisch rijden realistisch en geloofwaardig, zonder onderweg een hele groep automobilisten voor de bus te gooien. Want mobiliteit is meer dan een rekenoefening. Soms gaat het ook over rijplezier, over gebruiksgemak, en ja, over die zachte grom van een motor die je zonder (laad)stress naar je bestemming brengt.
En eerlijk? Dat ga ik missen.






