Europa maakt momenteel een belangrijk keuzemoment door in zijn autostrategie. In de recente hervormingsplannen rond emissienormen en elektrische mobiliteit berichtten we eerder deze week dat de Europese Commissie versoepelingen en steun voorziet voor een nieuwe categorie voor compacte elektrische auto’s tot 4,2 meter. De microcars vallen, alweer, uit de boot. Onbegrijpelijk.
Gewone personenwagens tot 4,2 meter (de zogeheten M1E-klasse) krijgen soepeler regels op het vlak van veiligheid en ze zullen ook superkredieten krijgen in de CO2-regelgeving waardoor fiscale voordelen sneller binnen het bereik liggen. Toch valt één interessant segment volkomen tussen de mazen van dat net want de zogenaamde L7e-microcars worden niet meegenomen in het EU-steunkader.

Het zijn nochtans voertuigen die voldoen aan de verwachtingen van de Europese Commissie; ze zijn licht, compact, volledig elektrisch en qua gewicht en vermogen ideaal voor de stedelijke mobiliteit. En ze nemen ook minder plaats in. Dat Europa deze categorie (al dan niet moedwillig?) vergeet, is jammer genoeg niet nieuw. Je mag het stilaan een beleidsmatig tekort noemen dat de Europese mobiliteitstransitie schaadt.
In tegenstelling tot volledig reguliere auto’s hoeven L7e-voertuigen geen zware veiligheids- of massa-eisen te vervullen. Daarom zijn ze goedkoper in productie en in aanschaf, én ideaal voor verplaatsingen in de steden, korte pendelritten en dagelijkse micromobiliteit, juist dé segmenten waar de Europese steden de meeste lucht- en ruimtewinst kunnen boeken. Ze kunnen naar ons gevoel een perfect ecologisch alternatief vormen voor veel tweede en zelfs derde auto’s op de oprit.

We mogen in deze discussie uiteraard niet blind zijn voor hun beperkte veiligheid. Het spreekt voor zich dat je met een Citroën Ami of Silence minder beschermd bent dan in pakweg een nieuwe Twingo die wél in alle veiligheid lange afstanden kan doen, maar in de stad verdienen de microcars absoluut hun plaats wat ons betreft.
De nieuwe M1E-categorie stimuleert EV’s kleiner dan 4,2 meter, maar dat zijn nog steeds volwaardige personenauto’s met alle traditionele gewicht- en productiekosten. Ze zijn simpelweg te groot en te duur om de doelgroep te bereiken waarvoor L7e’s wél ideaal zijn. Zodra een voertuig wél tot de M1E-klasse behoort krijgt het superkredieten voor CO2-fleetdoelen en potentieel nationale subsidies, zelfs als het geen microcar is.

Maar microcars in de L7e-klasse blijven dus buiten beeld ; geen EU-subsidie, geen CO2-kredieten, geen gerichte stimulans op Europees niveau. Dat is redelijk kortzichtig want microcars kunnen sneller geproduceerd worden en maken mobiliteit toegankelijker voor veel meer mensen. Ze passen ook perfect bij stedelijke klimaat- en mobiliteitsdoelen en ze zouden ook perfect in Europa gebouwd kunnen worden zoals de Microlino. Toegegeven, het veiligheidsniveau blijft in bepaalde omstandigheden een terechte zorg, maar dat is geen reden om L7e’s compleet uit te sluiten.
Wat ons betreft moet Europa moet L7e-microcars actiever erkennen en stimuleren, met aangepaste regels én passende incentives. Alleen dan kan de mobiliteitstransitie werkelijk inclusief, duurzaam én toekomstbestendig worden.






