De Europese autobouwers hebben een kleine veldslag, maar niet de oorlog gewonnen. Ja, er mogen na 2035 nog nieuwe auto’s met een verbrandingsmotor worden gekocht, maar Europa duwt de constructeurs én de consument nog steeds naar de elektrische auto.
Zo legt Europa de autofabrikanten nog steeds strenge CO2-normen op. Die worden niet per auto, maar als gemiddelde uitstoot over het volledige gamma berekend. Elektrische auto’s tellen daarbij als nul-uitstoot. Dat betekent dat elke extra elektrische auto het vlootgemiddelde van dat merk verlaagt en boetes vermeden kunnen worden bij elke extra bestelbon voor een EV. Het verkopen van veel modellen met een benzine- of dieselmotor onder de kap, doet de CO2-mix en de boetes voor de constructeurs stijgen. Ga er dus maar van uit dat je na 2035 meer zult betalen als je toch nog een benzine of dieselauto op de oprit wilt. Hoe Europa met plug-in-hybrides of auto’s met range extender zal omgaan, dat is nog niet duidelijk en het laatste woord is daarover zeker nog niet gezegd.

Nieuwe EV-categorie met maximale lengte van 4,2 meter
Elektrisch rijden moet goedkoper worden. Dat is de kern van een nieuw Europees plan dat inzet op een elektrische auto van ongeveer 15.000 euro. Met een nieuwe voertuigcategorie wil de Europese Unie niet alleen meer consumenten overtuigen om elektrisch te rijden, maar ook de eigen auto-industrie beschermen tegen goedkope import van buiten Europa, lees: China.
De Europese Commissie werkt dus aan een aparte klasse voor kleine elektrische auto’s, met een maximale lengte van 4,2 meter. Daarmee vallen typische stads- en compacte gezinswagens binnen de nieuwe categorie, zonder dat het om microcars gaat. Denk maar aan de Mini, de Renault 4, de Citroën C3 of de Volvo EX30 die mits wat schaafwerk nog niet binnen die marge kan passen. Door het formaat te beperken dalen natuurlijk de materiaal- en productiekosten, blijft ook het gewicht laag en vooral, volstaat een kleinere batterij die minder kost. Deze EV’s zijn bedoeld voor dagelijks gebruik: woon-werkverkeer, korte afstanden en stedelijke mobiliteit. Verre reizen en hoge prestaties zijn geen prioriteit.

En ook belangrijk: Europa zal nieuwe soepeler regels uitwerken voor deze categorie waardoor die modellen net iets minder streng beoordeeld worden op het vlak van veiligheid. Door het zware lastenboek daaromtrent ietwat te versoepelen, zal de ontwikkelings- en productiekost dalen. Dat moet resulteren in goedkopere elektrische auto’s voor de consument.
Elektrische auto’s moeten in Europa gebouwd worden
Een belangrijk onderdeel van het plan is dat alle EV’s binnen deze nieuwe categorie in Europa geproduceerd moeten worden. Alleen dan komen ze in aanmerking voor de voordelen die Brussel wil koppelen aan dit segment. Daarmee wil de EU natuurlijk de Europese autofabrieken en toeleveranciers ondersteunen, de productie en jobs binnen de Unie houden en vermijden dat goedkope elektrische auto’s uitsluitend van buiten Europa komen. Het is een indirecte manier om de concurrentie met vooral Chinese fabrikanten aan te gaan, zonder expliciete importverboden.

Is 4,2 meter voldoende?
Vandaag zijn veel elektrische auto’s voor particuliere kopers nog te duur. We zien natuurlijk wel betaalbare initiatieven zoals de Renault Twingo opduiken, maar echt multi-inzetbaar (pakweg als familiewagen) zijn zulke versies nog steeds niet. Je kan je dus afvragen of die grens van 4,2 meter wel voldoende is. Tegelijk is er op zijn minst nu wel duidelijkheid voor de Europese constructeurs en kunnen ze aan de slag met de ontwikkeling van auto’s die maximaal 4,2 meter lang zijn, en toch voldoende functionaliteit en rijbereik bieden. Of die richtprijs van 15.000 euro haalbaar is, dat zal nog moeten blijken. Maar zelfs aan 25.000 kan de consument mogelijks alsnog overstag gaan voor die eerste EV.







